Verandering
De politieke strijd tussen links en rechts was herkenbaar, tussen zelfbewuste mensen met verschillende politieke denkbeelden en in zekere zin voorbereidend op een compromis. Er is echter een ander gevecht gekomen, de strijd van de miskenden en slachtoffers tegen het bestaande systeem, dat beheerd zou worden door de gevestigde orde of de elite. Deze strijd is niet gericht op een compromis, maar beoogt en belooft een radicaal veranderde samenleving.
Die twee logica’s van conflict opereren nu naast elkaar en laten zich als volgt typeren.
| Kenmerk | Politieke strijd | Existentiële morele strijd |
|---|---|---|
| Relatie tegenstander | Legitiem, erkend | Dader/slachtoffer, ongelijk |
| Doel | Beleid, compromis | Erkenning, omkering |
| Affect, emotie | Beheersbaar, secundair | Dominant, leidend |
| Instituten | Kunnen conflict dragen | Worden object van strijd |
| Resultaat | Omkeerbaar, tijdelijk | Absoluut, dominant |
Positie van de politie
In de klassieke logica is de politie uitvoerder van democratisch gelegitimeerd beleid, partijneutraal en corrigeerbaar via recht en door de politiek gecontroleerd gezag. In de nieuwe logica wordt de politie beschouwd als morele actor, partij kiezend voor de gevestigde orde en daardoor belichaming van het ‘systeem’ en dus ook drager van de historische schuld van wat misgaat in de samenleving.
Dat maakt politisering van politiewerk onvermijdelijk. Dat gold niet bij de klassieke politisering tussen links en rechts, waarin de politie een neutrale positie kon innemen, maar het geldt wel bij de veel meer symbolische en morele en op affectie en gevoel gebaseerde politisering. Een staandehouding wordt bewijs dat ‘de orde moet worden hersteld’ óf bewijs van systemisch onrecht. De agent verliest de mogelijkheid om slechts professional te zijn. Dat vergroot handelingsverlegenheid, uitmondend in defensief optreden of juist overcompenserende hardheid.
Omdat de politie in beide logica’s opereert, heeft de politie te maken met tegengestelde verwachtingen. In de klassieke logica is de opdracht: handhaaf consequent, behandel mensen gelijkwaardig en wees voorspelbaar. Vanuit de nieuwe logica moet de politie gericht zijn op erkenning van de miskenning die mensen ervaren en (daarom) terughoudend zijn met gezagsuitoefening - of juist niet. Deze verwachtingen botsen en er is niet op hetzelfde moment aan te voldoen. Elke keuze bevestigt voor de één de legitimiteit, voor de ander juist voortgezet onrecht. De reacties op het incident bij de bollendak in Utrecht illustreren dit spanningsveld.
Risico voor de politie
Het grote gevaar is instrumentalisering van de politie. Politieke actoren gebruiken – bewust of onbewust – de politie als bewijsstuk, als symbool of juist als escalatiemechanisme. De politie dreigt zo haar eigen betekenis, die ligt in het handhaven van de rechtsorde en het versterken van maatschappelijke vrede, te verliezen en onderdeel te worden van een erkenningsstrijd waaraan zij zelf geen betekenis kan ontlenen.
Dat moet niet gebeuren. De politie zal, of ze wil of niet, steeds vaker moeten fungeren als een bufferinstituut binnen de toenemende spanning in de samenleving. Ze absorbeert dan spanning en voorkomt escalatie naar een existentiële strijd. Dat betekent de-escalatie boven gelijk krijgen, gezichtsbehoud boven disciplinering en uitleg boven machtsvertoon – waar mogelijk. Dat is echter extreem moeilijk.
Cruciaal hierbij is dat de politie niet de rol van vijand moet internaliseren, maar ook niet die van morele arbiter. Want zodra de politie schuld bekent als institutie blijft ze zonder handelingsruimte. Maar als ze zichzelf als laatste bastion van de orde positioneert, verliest ze haar integrerende functie.
Een integere politie
In deze context betekent integriteit van de politie het vermogen om gezag uit te oefenen zonder partij te worden in de morele strijd over legitimiteit van het systeem, waar ze deel van uitmaakt. Hier zit de grote moeilijkheid van de opgave waar de politie voor staat. Van bestuur en (klassieke) politiek vraagt dit om institutionele rugdekking voor de politie met gelijktijdige politieke terughoudendheid; en het vraagt om publiek leiderschap dat spanningen niet op de politie afwentelt. Gebeurt dat niet, dan zal de politie sneller worden gezien óf als vijand, óf als repressief instrument, óf als moreel zwakke actor. In al deze drie gevallen neemt geweld toe, neemt vertrouwen af en wordt de institutionele legitimiteit precair.
De politie staat vandaag niet slechts ‘onder druk’, het is erger: ze staat in het breukvlak van het politieke. Zij kan proberen om het systeem te helpen om deze dubbele logica te dragen, of eraan kapotgaan.
Daarom moeten we integriteit herdefiniëren, niet als morele zuiverheid, maar vanuit het gezichtspunt van relationele en evenwichtige maatschappelijk stabiliteit in een context van ervaren morele ongelijkheid en vijandschap.
De integere politieagent heeft besef van zijn/haar symbolische positie: naast dat ik handel, beteken ik iets. Dat vraagt training in symbolisch bewustzijn, en leiderschap dat dit benoemt en draagt.
Dit artikel werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor de Politie en is ook te lezen op www.websitevoordepolitie.nl

