
Sloop van de gereformeerde Pniëlkerk In Duindorp, gemeente Den Haag. © ANP / Dirk Hol
Met de sluiting van honderden kerkgebouwen verliest de ‘hypernerveuze’ samenleving bijzondere plekken van bezinning en stilte. Maar als kerkgemeenschappen ze niet in stand kunnen houden, en de overheid die taak niet op zich neemt, wie doet dat dan wel? Mede naar aanleiding van het Ipsos-onderzoek Heiligheid in de Leefomgeving schreven collega’s Ward Huetink en Ellen Klaver, in samenwerking met Lia Hol (Vrijzinnigen Nederland), Anique de Kruijf (Museum Catherijneconvent) en Jan Martijn Abrahamse (Christelijke Hogeschool Ede), hier een opiniebijdrage over. Het stuk werd ook gepubliceerd in het Nederlands Dagblad.
Nederland staat aan de vooravond van een ingrijpende ruimtelijke verandering. Sinds de Tweede Wereldoorlog sloten ongeveer tweeduizend kerkgebouwen hun deuren. De komende tien tot twintig jaar zullen er daar naar verwachting nog eens achttienhonderd bij komen. Dat is bijna evenveel als in de tachtig jaar ervoor en het betekent bijna een halvering van het aantal kerken dat nu in gebruik is als plek van geloof en zingeving. Dat is meer dan slechts een religieuze ontwikkeling; het raakt ingrijpend aan het maatschappelijke en persoonlijke leven. Daarmee verdwijnt ook de fysieke ruimte in het straatbeeld waar het even niet gaat om consumptie, productie en rendement.
Kerkgebouwen zijn bewust ontworpen voor bezinning, ontzag, ritueel en stilte. Zulke gebeurtenissen verplaats je niet naar een evenementenhal.
Uit het onderzoek Heiligheid in de Leefomgeving dat wij onlangs door Ipsos I&O hebben laten uitvoeren blijkt dat bijna een derde van de Nederlanders (31%) minstens één keer per jaar een kerk bezoekt. Voor velen is dat ook een kwestie van ontmoeting: de kerk maakt deel uit van de sociale infrastructuur. Maar mensen zoeken ze vooral op bij de momenten die ertoe doen – een doop, huwelijk, uitvaart, of wanneer ze behoefte hebben aan herdenking, inspiratie en troost. Zulke gebeurtenissen verplaats je niet naar een evenementenhal. Kerkgebouwen zijn bewust ontworpen voor bezinning, ontzag, ritueel en stilte; kwaliteiten die in onze publieke ruimte schaars zijn geworden. In de openbare ruimte roepen alleen natuurgebieden vergelijkbare gevoelens op, laat het onderzoek zien.
Onlangs waarschuwde de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving voor de gevolgen van onze ‘hypernerveuze samenleving’ en riep zij op om deze tot rust te brengen om de mentale volksgezondheid te herstellen. Volgens het Ipsos-onderzoek zoekt 80 procent van de Nederlanders die rust bewust op. Onder jongeren geeft 14% aan hier onvoldoende plekken voor te hebben. Er is veel aandacht voor prestatiedruk en mentale overbelasting, maar tegelijk sluiten we in hoog tempo juist die ruimtes waar stilte en rust ervaren kunnen worden.
Intussen verandert het sentiment rond kerkgebouwen. Hoewel Nederland verder seculariseert, constateerde het Sociaal en Cultureel Planbureau in 2022 dat een groeiend deel van de niet-religieuzen welwillend staat tegenover overheidssteun voor het behoud van kerkgebouwen. Het Ipsos-rapport laat bovendien een opmerkelijk generatieverschil zien: jongeren (19% van 18-34-jarigen) willen vaker dan 50-plussers (10%) dat een leegstaand religieus gebouw zijn religieuze functie behoudt. Ouderen zijn vaker voorstander van ombouwen tot woningen of een buurt– of gemeenschapscentrum. Uit het onderzoek blijkt dat jonge Nederlanders het behoud van religieuze gebouwen vaker als taak van de gemeente of rijksoverheid beschouwen terwijl ouderen die verantwoordelijkheid juist bij bezoekers, beheerders en eigenaren leggen.
Bedrogen uitkomen
Het is veelzeggend dat Nederlanders zich in toenemende mate zorgen maken om de toekomst van onze kerkgebouwen, maar dat steeds minder mensen zich daar persoonlijk voor willen inspannen. De overheid moet het maar oplossen. Maar wie daarop hoopt, komt bedrogen uit. Het kabinet-Jetten rept vooralsnog met geen woord over religieuze gebouwen.
" Het is veelzeggend dat Nederlanders zich in toenemende mate zorgen maken om de toekomst van onze kerkgebouwen, maar dat steeds minder mensen zich daar persoonlijk voor willen inspannen"
Met een groeiende maatschappelijke behoefte aan rust en bezinning en een veranderend sentiment rond kerkgebouwen, dringt de vraag zich op: van wie zijn onze kerken, en wie bekommert zich hierom?
Als kerken niet langer uitsluitend het domein zijn van een draagkrachtige geloofsgemeenschap, maar plekken met een bredere publieke betekenis, dan kan die verantwoordelijkheid niet louter bij die gemeenschap of bij de overheid blijven liggen. Ze raakt iedereen die vindt dat er gemeenschappelijke plekken van rust, troost en schoonheid in de straten van onze dorpen en in de wijken van onze steden moeten zijn. Soms merken we pas wat we missen als het afgebrand is — zoals bij de Amsterdamse Vondelkerk.
Maatschappelijke betekenis
Natuurlijk, soms is herbestemming of functiedeling onvermijdelijk. Maar zolang het debat zich beperkt tot bezit, exploitatie en vierkante meters, blijft de maatschappelijke en affectieve betekenis van kerkgebouwen onderbelicht. Het gaat hier om bijzondere publieke ruimtes. Dit vraag niet alleen om herbestemming, maar om herwaardering. Om nieuwe verhoudingen tussen geloofsgemeenschappen, overheden, buurtbewoners en bedrijven. De vraag is niet of we deze heilige plekken kunnen missen, maar of we het ons kunnen permitteren ze níét te beschermen.
Dit artikel verscheen op 21 april 2026 in het Nederlands Dagblad.
Naar aanleiding van het eerder gepubliceerde Ipsos-onderzoek schreven Ward Huetink en Ellen klaver een opiniebijdrage. Heeft u vragen of wilt u reageren op het artikel, dan kunt u contact opnemen met Ward Huetink en/of Ellen Klaver.



