Door Cor van Beuningen
1. Het Katholieke Sociale Denken (KSD) dient maar één doel: de bloei van mensen in een vitale samenleving. Hoe komen mensen tot bloei, wanneer ontwikkelen ze al hun talenten, en wat maakt een samenleving vitaal? Wat staat dat in de weg, en hoe kan dat bevorderd worden? Dat zijn de vragen die in het KSD aan de orde zijn. Daar is dus strikt genomen niets “gelovigs” aan. Het KSD hanteert redeneringen en argumenten die ook voor niet-gelovigen begrijpelijk en toegankelijk zijn. Zo kan het KSD, bijvoorbeeld, perfect de vorm krijgen van een bestuurskundig paradigma dat de vitaliteit en weerbaarheid van de samenleving vooropstelt. Het KSD wordt katholiek genoemd omdat het ontwikkeld is in een aantal Pauselijke rondzendbrieven – de sociale encyclieken - en door een aantal katholieke filosofen en activisten in verschillende landen. Aan thematisering en argumentatie is echter niets “katholieks”.
De sociale encyclieken
2. Hoewel er eerder belangrijke aanzetten zijn gedaan, met name door Thomas van Aquino (13e eeuw) en de School van Salamanca (16e eeuw), wordt het beginpunt van het KSD over het algemeen gelegd bij het verschijnen van de eerste sociale encycliek Rerum Novarum (Nieuwe Tijden) in 1891. Rerum Novarum adresseert als sociale kwestie de tegenstelling kapitaal-arbeid en de uitbuiting van arbeiders en houdt een pleidooi voor solidariteit en rechtvaardige beloning.
- De sociale kwestie van Quadragesimo Anno (1931) is het gevaar van ongebreidelde staatsmacht. De encycliek is een verhandeling over de juiste maatschappelijke orde. Ze zet zich af tegen de totalitaire tendensen van de staat in (het dan opkomend) fascisme en communisme en introduceert het principe van subsidiariteit: de overheid moet zich niet bemoeien met zaken die mensen en hun verbanden zelf kunnen regelen. Waar ze dat wel doet moet haar ingrijpen erop gericht zijn de capaciteiten van mensen en hun verbanden juist te versterken. Ook ontwikkelt deze encycliek het concept van horizontaal corporatisme, i.e. samenwerkingsverbanden tussen werkgevers en werknemers in de verschillenden bedrijfstakken.
- Mater et Magistra (1961) wordt wel de medezeggenschapsencycliek genoemd; het bepleit dat werknemers een belangrijke stem krijgen in de bedrijfsvoering van ondernemingen en organisaties. Ook wordt in deze encycliek nadrukkelijk de democratische staatsvorm verkozen boven andere vormen.
- Pacem in Terris (1963) en Populorum Progressio (1967) adresseren de wereldwijde armoede en het ontwikkelingsvraagstuk en roepen op tot internationale samenwerking om de kloof tussen rijke en arme landen te overbruggen en tot internationale dialoog om duurzame vrede te bewerkstelligen.
- Laborem Exercens (1981) is een pleidooi voor een economie die de mens centraal stelt en waarin arbeid wordt gezien als een middel voor persoonlijke en sociale ontwikkeling.
- Sollicitudo Rei Socialis (1987) veroordeelt de hebzucht en het egoïsme die ten grondslag liggen aan de zondige structuren van het kapitalisme en de onrechtvaardige verdeling van rijkdom en macht, en bepleit een holistische ontwikkeling van de mens, die zowel materiële als immateriële aspecten omvat.
- Centesimus Annus (1991) reflecteert op de Val van de Muur en waarschuwt voor een ongebreideld kapitalisme dat ten koste zal gaan van de waardigheid van de mens, het milieu en toekomstige generaties, eindigend met een pleidooi voor een "economie van solidariteit".
- Deus Caritas Est (2006) onderzoekt de betekenis van liefde in het christelijk geloof. Ze onderscheidt twee vormen van liefde: eros (verlangende liefde) en agape (gevende liefde). Beide vormen zijn inherent goed maar in christelijk perspectief is agape de hoogste vorm.
- Caritas in Veritate (2009) gaat dieper in op de relatie tussen naastenliefde en waarheid, waarbij het benadrukte dat de twee altijd in samenhang moeten worden benaderd. Maatschappelijke vooruitgang kan niet los worden gezien van ethische en spirituele overwegingen.
- Laudato Si' (2015) is een algemene cultuurkritiek van de moderniteit en haar technocratisch paradigma, en wordt daarbij gekenmerkt door complexiteitsdenken. Ze mondt uit in een dringende oproep om een begin te maken met het - noodzakelijkerwijs lange - proces van regeneratie en integraal-ecologisch samenleven.
- Fratelli Tutti (2020) is het complement van Laudato Si. Het is een oproep tot universele broederschap en sociale vriendschap, en benadrukt het belang van dialoog en ontmoeting tussen mensen met verschillende achtergronden en overtuigingen als een manier om wederzijds begrip en empathie te bevorderen, voorwaarde voor de bloei van mensen en voor een vitale samenleving.
Sociaal-economische thema’s
3. Er is in het KSD dus vanaf het begin ruime aandacht voor sociaal-economische kwesties, de economische ordening, de waardigheid van werk en de organisatie van ondernemingen. In verschillende landen heeft dat een praktische vertaling gekregen in de oprichting van organisaties van arbeiders voor hun belangenbehartiging en hun strijd voor sociale rechtvaardigheid. In Nederland waren dat bijvoorbeeld Alphons Ariëns en Henri Poels, in België Adolf Daens en Jozef Cardijn, in Duitsland Oskar von Nell-Breuning en in de VS John Ryan en Dorothy Day. In de jaren na WOII, de periode van Wederopbouw, heeft de strijd voor sociale rechtvaardigheid zich verplaatst naar de politieke arena. In Nederland en België vonden christen- en sociaaldemocraten elkaar (de rooms-rode coalities, van 1945-58) in het optuigen van de verzorgingsstaat, gebaseerd op solidariteit en sociale zekerheid.
Maatschappelijke ordening
4. Sindsdien zijn de werk- en leefomstandigheden van de arbeiders en hun gezinnen sterk verbeterd. Tegelijkertijd kan worden opgemerkt dat in dit proces van verstatelijking - onbedoeld - belangrijke dimensies van het KSD verloren zijn gegaan; dat het KSD hier is verengd en afgeplat. Dat geldt om te beginnen het subsidiariteitsbeginsel, dat in Quadragesimo Anno (1931) nog tot het “allergewichtigste beginsel” van het KSD inzake de maatschappelijke orde werd verklaard. In de woorden van de (n.b. protestantse) filosoof Herman Dooyeweerd, moest dit beginsel “een dam opwerpen tegen een totalitair staatsabsolutisme, door de ordening niet van boven af op te leggen, maar van onder op zich te laten ontwikkelen, zodat de overheid tenslotte de ordeningstaak zoveel mogelijk aan de enkelingen en aan de lagere gemeenschappen moet overlaten.” Dooyeweerd kon toen nog hopen dat de katholieken die dit subsidiariteitsbeginsel aanhangen, “zich in de practische politiek eerder aan de zijde [zouden] scharen van het Calvinisme, dat de souvereiniteit in eigen kring tot richtsnoer kiest, dan aan de zijde van de moderne ordenaars’. In werkelijkheid zal blijken dat vrijwel alle protestantse en katholieke politici van harte meewerkten aan de enorme uitbouw, na de Tweede Wereldoorlog, van de statelijke presentie in het maatschappelijk leven. De protestantse politieke voorman Gert Schutte constateert achteraf: “Na 1950 werd het principe van soevereiniteit in eigen kring langzaamaan verlaten, vanwege zijn conservatieve effecten op het streven naar de publieke ordening en opbouw van de welzijnssamenleving.” Hetzelfde kan gezegd worden over het principe van subsidiariteit, dat door de katholieke politici geruisloos terzijde werd geschoven.
Sociaal vs Sociaal
5. De emancipatiestrijd van de arbeiders kreeg gedurende decennia zoveel gewicht dat het adjectief Sociaal in Katholiek Sociaal Denken (of in de Sociale Leer van de Kerk) haast vereenzelvigd werd met de betekenis die het heeft in begrippen als sociale rechtvaardigheid en sociale zekerheid. Sociaal verwijst dan naar de bescherming van armen en zwakken en gelijke kansen voor iedereen.
Maar dit bracht met zich mee dat het KSD gaandeweg daartoe beperkt werd. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het gaat het KSD immers – breder: - om de menselijke persoon en de samenleving. Sociaal in Katholiek Sociaal Denken staat voor: de hele samenleving betreffende.
KSD gaat over bloeiende mensen in een vitale samenleving. Natuurlijk staan uitbuiting en onrechtvaardigheid hier in de weg en is het aan de orde dat het KSD zich hierover uitspreekt. Tegelijkertijd moeten – het subsidiariteitsprincipe volgend - vraagtekens gesteld worden bij de uitbouw van de verzorgingsstaat en de al-presentie van de overheid in het maatschappelijk leven. Zo waarschuwde in Frankrijk de grote katholiek-sociale denker Emmanuel Mounier in 1949 nog: “Het centrale uitgangspunt van het personalisme is het bestaan van vrije en scheppende personen. Niets staat daarmee op zo’n gespannen voet als het streven, vandaag de dag zo breed gedragen, naar een systeem van denken en handelen, dat als een automaat oplossingen en instructies uitspuugt, dat het zoekproces verlamt en de mens beschermt tegen onrust, beproeving en risico.” Door materie en motieven voor mensen weg te nemen om zelf en samen met anderen aan de slag te gaan, kan de verzorgingsstaat in de weg komen te staan van de bloei van personen, van hun verbanden en van de samenleving.
6. Zo kon het gebeuren dat het katholieke – en christelijke – sociale denken in handen van (christendemocratische) politieke voormannen werd ingepolderd en opgelost in de grote regelsystemen van politiek en publieke dienstverlening. Haar eigen zeggingskracht en impact gingen goeddeels verloren. Begrip en inhoud van het KSD werden gereduceerd tot een mantra van vier zogenaamde “pilaren”: menselijke waardigheid, bonum commune, subsidiariteit en solidariteit,. Die fungeren als “waarden”, d.w.z. een soort toetsstenen voor handelen, besturen etc. Van een samenhangende visie op mens en samenleving is geen sprake meer.
Het KSD moet dus opnieuw gedacht en heroverd worden op politici en academici. Dat kan beginnen bij een beschouwing van die vier “pilaren”: de menselijke waardigheid, bonum commune, subsidiariteit en solidariteit.
De vier “pilaren”
7.Over het begrip menselijke waardigheid. Het standaardverhaal is dat elke mens een intrinsieke waardigheid bezit, die dan ook beschermd moet worden.
Daar is natuurlijk niets tegen in te brengen. Maar in het echte KSD krijgt het begrip een heel andere dimensie erbij. Zo stelt Mounier: “Tout homme, sans exception, a le droit et le devoir de développer sa personalité”. Elke mens, zonder uitzondering, heeft het recht en de plicht om zijn of haar persoonlijkheid te ontplooien. Waardigheid is niet een gegeven, maar iets dat wacht op realisering. Voor Mounier gaat het erom dat mensen hun talenten ontwikkelen en zo hun waardigheid als persoon metterdaad realiseren; mens-worden. En mens-worden, humanisering, dat kan alleen die mens zelf, niemand anders. En dat is diens recht maar ook plicht, verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid moeten anderen niet overnemen of afnemen. Dat precies dreigt te gebeuren als we hem of haar maken tot object van onze bescherming – in de persoonlijke relatie evengoed als vanwege de verzorgingsstaat. Nee, zegt het KSD, helemaal fout.
Wat we wel moeten doen, aldus Mounier, is de belemmeringen wegnemen die menswording in de weg staan: “De eerste plicht die we aan alle anderen verschuldigd zijn, is om te strijden tegen de psychologische of sociale omstandigheden die het hen onmogelijk maken om hun talenten volledig te ontplooien.”
Subsidiariteit
8. Daarmee hebben we ook een ander kernbegrip in het KSD goed aangevlogen, geïntroduceerd, namelijk: subsidiariteit. Dat is belangrijk, om subsidiariteit in de goede context te zetten, want net als waardigheid wordt dit begrip op allerlei manieren getrivialiseerd.
Net als solidariteit is subsidiariteit een relationeel begrip, ze gaat over de aard en inzet van relaties. Maar waar solidariteit oproept tot hulp en bijstand, staat subsidiariteit voor een relatielogica die de waardigheid en eigen verantwoordelijkheid van de ander volledig erkent en die onderzoekt hoe het best bijgedragen kan worden aan diens ontwikkeling - hetgeen in ieder geval inhoudt dat die ander geen materie en motief wordt ontnomen om zelf te groeien maar juist geholpen wordt om zijn of haar waardigheid te realiseren.
Dit “allergewichtigste principe” (QA) van het KSD geldt niet alleen de relatie tussen twee personen. Nee, subsidiariteit is een omvattend politiek-maatschappelijk, bestuurlijk, organisatorisch en professioneel paradigma. De kern ervan is dat de één: de overheid, de bestuurder, de manager, de professional; de ene mens de ander geen motieven moet afnemen om zelf initiatief te nemen, om samen met andere mensen aan de slag te gaan, om in vrijheid verantwoordelijkheid te nemen en aldoend zijn/haar/hun creatieve, sociale en morele talenten te ontplooien. Integendeel, ieder moet de ander/anderen daarvoor ruimte laten, obstakels wegnemen, en hun eigen initiatief en verantwoordelijkheid stimuleren en ondersteunen. Want: alles wat er gedaan moet worden, de taken die zijn te vervullen, de doelen die zijn te realiseren, de problemen die om een oplossing vragen – ze vormen de materie en het zijn evenzovele potentiële motieven voor mensen om elkaar te ontmoeten en in vrijheid samen verantwoordelijkheid te nemen en het zijn evenzovele vehikels voor de ontplooiing van hun creatieve, sociale en morele talenten en de vitalisering van hun verbanden.
Subsidiariteit vs. Soevereiniteit in eigen kring
9. Soevereiniteit in eigen kring is een beginsel in het christelijk (calvinistisch)- sociale denken dat stelt dat elke levenskring – zoals het gezin, de kerk, het onderwijs, de economie - zijn eigen onafhankelijk gezag heeft en niet onder dat van een andere levenskring staat. We zagen al (punt 4) dat dit beginsel met het subsidiariteitsbeginsel gemeen heeft dat het zich keert tegen staatsabsolutisme en – breder – tegen een al te grote invloed en presentie van de overheid in het maatschappelijk leven. Daarom worden de twee wel eens elkaars equivalent genoemd. Dat is echter maar zeer ten dele juist en in zekere zin staan ze zelfs lijnrecht tegenover elkaar. In essentie staat soevereiniteit in eigen kring voor scheiding: dit is van mij en dat is van jou en we hebben niets met elkaar te maken. Subsidiariteit staat juist voor een relatie, een op elkaar betrokken zijn, in een dynamische taakverdeling binnen een gedeelde verantwoordelijkheid met het oog op het optimaliseren van humaniserings- en vitaliseringseffecten.
Enkele quotes uit sociale encyclieken
10. Bloeiende mensen in vitale verbanden, een sterke samenleving - daar is het in het KSD immers allemaal om begonnen. Alles wat dit proces in de weg zou kunnen staan wordt in encyclieken dan ook in de strengste bewoordingen afgekeurd. Enkele illustratieve quotes uit verschillende encyclieken:
“Evengoed als het een ernstige fout is om hetgeen individuen door hun eigen initiatief en nijverheid kunnen bereiken van hen af te nemen om het aan de gemeenschap te geven, zo is het ook een onrecht en tegelijkertijd een ernstig kwaad en aantasting van de juiste orde om aan een groter en hoger verband te geven wat de lagere en ondergeschikte organisatie kan doen.” (Quadragesimo Anno 79-80)
Over het belang van ontmoetingen voor mens-wording: “De mens als geestelijk schepsel verwerkelijkt zich door intermenselijke relaties. Hoe meer hij die relaties op authentieke wijze beleeft, des te meer rijpt ook zijn eigen persoonlijke identiteit. Niet door afzondering komt de mens tot zijn recht, maar door zichzelf in relatie met anderen en met God te plaatsen. De betekenis van zulke relaties is dan ook fundamenteel.” (Caritas in Veritate 53)
Over het verband tussen ontmoeting, persoonlijke ontwikkeling en de vitale samenleving: “Het is belangrijk om ontmoetingsprocessen te creëren, […] om mensen ertoe aan te zetten om samen te werken, zij aan zij, bij het nastreven van doelen die iedereen ten goede komen. Een breed scala aan praktische voorstellen en diverse ervaringen kunnen helpen om gezamenlijke doelstellingen te bereiken en het algemeen belang te dienen.” (Fratelli Tutti, 2020, 217-228)
Laudato Si en Fratelli Tutti
11. Met de encyclieken Laudato Si en Fratelli Tutti heeft Paus Franciscus een enorme impuls gegeven aan het KSD. Waar eerdere sociale encyclieken zich richtten op specifieke sociale kwesties – de uitbuiting van arbeiders, de onwaardigheid van werk, het gezin in de knel, de ongelijke ontwikkeling en onrechtvaardige internationale verhoudingen, het gevaar van de totalitaire staat, van verstatelijking en bureaucratisering – is Laudato Si een alomvattende cultuurkritiek van de moderniteit, i.e. de Westerse wereld in de afgelopen tweehonderd jaar. De moderniteit bracht ons eerst een enorme groei en welvaart maar hetzelfde technocratische beheersingsdenken dat daarvoor instrumenteel was keert zich nu tegen de mens en de gehele planeet. Herstel zal lange regeneratieprocessen vereisen. We moeten anders omgaan met ons gemeenschappelijk huis – en met elkaar. Fratelli Tutti vult dat laatste nader in, met een reflectie op broederschap en een oproep tot ontmoeting.

